Saorstát #16: Closer Festival @ De Studio, Antwerpen (16 &17.12)

Met ondertussen zijn zesde editie is het Closer/Dichterbij Festival niet aan zijn proefstuk toe om zowel lichaam als geest te voeden met een meer dan eclectische mix van muziek, dj’s, beeldende kunst, performance, fotografie, video, installatiekunst, literatuur en zelfs gastronomie. De eerste edities vonden elders in ’T Stadt plaats, maar sinds 2019 ligt het hart van Closer in De Studio.

Zoals ieder jaar wordt er met een thema gewerkt dat uit de woeste grond ontspruit en voor deze editie ontgint Closer speciaal voor U een ongezonde portie aanstormend talent dat in het teken staat van de 100ste verjaardag van THE WASTE LAND (1922). Het gedicht van 434-lijnen, dat Nobelprijswinnaar T.S. Eliot (1888-1965) in één klap ridderde als centrale spil in de Engelstalige Modernist Poetry. Na W.O.I  bracht THE WASTE LAND in vijf uitgekiende bedrijven de uitzichtlichtloosheid van het bestaan op een magnifieke wijze tot leven en daarmee geniet dit gedicht de status als één van de meest belangrijke gedichten van de 20ste eeuw. Maar Closer volgt nét niet dit gitzwart thema en biedt met dit feest van artistiek geweld een positief contragewicht in deze horrortijden van pandemie en oorlogsgruwelen. Closer kiest echter niet, Closer is een brug die verbindt. Closer zet zijn geloof in kunst als katalysator van cohesie om door middel van in te zetten op het aanreiken van multidisciplinaire kunstvormen. Niet vrijblijvend op een hoop gekieperd, maar wel vanuit het buikgevoel samen gebracht op een inspirerende plek.

Het grootste goed van Closer is dat ze de honger naar cultuur wilt aanwakkeren. Dit wordt op 16 december dan ook letterlijk gedaan met de kookkunsten van Harry Belmans. In een vorig leven trachtte Harry nog aan de wensen annex grillen van sterren als Prince, Beyoncé of Leonard Cohen te voldoen, maar thans draagt hij zowaar de chefmuts van Zjalto in mijn eigen hometown Geel. Op Closer wordt met Souper Surprise een culinair programma aangeboden in de vorm van een thematisch vijf-gangen menu, opgeluisterd door performances die de curatoren Andy Fierens en Greogry Frateur voor U hebben uitgeselecteerd.

Souper Surprise (16.12)

BURNING
Geroosterde bloemkool met crème van champignons en truffel, Lardo di Colonnata en geroosterde noten.
Vegetarisch: Geroosterde bloemkool met crème van champignons, gerookte olijfolie en geroosterde noten.
*
CO CO RICO CO CO RICO
Gevogelte consommé met gedroogde groenten en lamsvet.
Vegetarisch: Groenten consommé met gedroogde groenten en pistache.
*
THE RIVER SWEATS
Geroosterde paling, soja, knolselder, karnemelk, lavas en haring kaviaar.
Vegetarisch: Gerookte tofu , soja, knolselder, karnemelk, lavas en aubergine kaviaar.
*
SIGHS, SHORT AND INFREQUENT, WERE EXHALED
Harry’s huisgemaakte worst met truffel, pastinaak en bonen.
Vegetarisch: Harry’s huisgemaakte ravioli met truffel, pastinaak en bonen.
*
SHANTIH SHANTIH SHANTIH
Esdoorn taartje met meringue van zeezout en eekhoorntjesbrood, ijs van suikermaïs.

Programma zaterdag 17.12

Andy Fierens

Indien U zelfs maar een beetje in poëtische ziel bent, dan bent U hoogstwaarschijnlijk al wel eens op Andy Fierens gebotst. Het is namelijk haast onmogelijk te ontsnappen aan zijn dreunende bulderstem en dat is geweten van Larum tot Lapland, van Merelbeke tot Montréal, of van Ottignies tot Osaka. Hoort U ergens een verbale Gatling Gun ratelen, dan mag U er donder op zeggen dat Andy Fierens in de buurt is. Uit het niets rijst het vermoeden dat hij als één van de bezielers van de Bronstige Bazooka – het koor waar Fierens de libretto’s voor neerpent – wel eens een bloedverwant zou kunnen zijn van de Britse slampoet Atilla The Stockbrocker, want aan zijn punkingesteldheid zal het alvast niet liggen. Weliswaar vijf jaar eerder dan elders in dit stuk vernoemde Charlotte Van den Broeck, won Andy evenzo de Herman de Coninck prijs voor zijn debuut GROTE SMERIGE VLINDER (2010). Simultaan met diezelfde Charlotte mag Andy dit jaar trots uitpakken met evenzeer zijn derde dichtbundel DE TROMPETTEN VAN TOETANCHAMON (2022). Daarnaast schrijft Fierens ook theaterstukken, romans of bracht hij met Sam De Buysscher de cartoonreeks KAWABATA uit. Zowel tekst als optredens van deze devil-does-all zijn steeds een furieuze bundel die bulken van absurde levenswijsheden en bakken zelfspot. Nog niet overtuigd van een van goesting overlopende Fierens? Misschien schreeuwen uw kids wel moord en brand voor zijn kindertheater BOER DANDY of DE TIKTOKHEKS? Het nachtleven kent Fierens dan waarschijnlijk weer van één van zijn talloze culturele manifestaties en daarom stond het waarschijnlijk in de catacomben van De Studio gebeiteld dat Fierens de spreekstalmeester van dienst zou zijn.

AARDUITWRIJVINGEN/PEAK

Charlotte Van den Broeck (woord) & Jana Coorevits (visuals)

Misschien herinnert U zich nog dat een ruwweg een juglar-cyclus geleden, ineens de dichtbundel KAMELEON (2015) zowaar met de Herman De Coninck Debuutprijs aan de haal ging? Dat dit schrijven prijzenwaardig was, werd twee jaar later nog eens extra bevestigd door de nieuwe bundel NACHTROER (2017), die op zijn beurt ging lopen met de driejaarlijkse Paul Snoekprijs in de categorie Beste Nederlandstalige Bundel. Het is mogelijk dat de Servische of zelfs Afrikaanse voorleessessies een soort klankengedicht op zichzelf vormen, maar ondertussen is de poëzie van Charlotte Van den Broeck (°1991) in zes talen omgezet en wordt de Kempische dichtster bijna op elk continent vertegenwoordigt. (Zeg nu zelf, niet slecht voor iemand die nog maar net tram drie heeft gepasseerd?) Maar zelfs hier stopt het niet voor de jonge Turnhoutse woordenkunstenares, want wie haar al op een podium heeft gezien weet dat Charlotte zoekt naar een soort performatieve benadering van haar poëzie, waarin beschrijfelijk- en lichamelijkheid centraal staan. Ongeveer gelijktijdig met mijn eigen research voor het bovengenoemde filmboek EVIL SEEDS – THE ULTIMATE MOVIE GUIDE TO VILLAINOUS CHILDREN (in combinatie met de verwerking van het verlies van verschillende vrienden die zelf besloten het vergankelijke voor het eeuwige te wisselen), werd mijn triskaidekafobie alweer aangezwengeld door haar prozadebuut WAAGSTUKKEN (2019), waarin Charlotte haar essayistische onderzoek naar dertien (!) architecten leidde die vanwege een fatale fout in hun ontwerp besloten uit het leven te stappen. Mogelijk onverwacht, maar dit verzekerde Charlotte een plaats in de Bestseller 60 en WAAGSTUKKEN belandde zelfs op de shortlist van de Boekenbon Literatuurprijs 2020. Ondertussen is haar derde dichtbundel AARDUITWRIJVINGEN (2021) uit, waar – vanuit een feministische perceptie – thema’s als klimaat, vrouwelijkheid of zelfs schildpaddenporno kan fungeren als metafoor voor erotiek. Haar partner in crime is Jana Coorevits. Deze visuele artieste en fotografe toont terwijl Charlotte uit AARDUITWRIJVINGEN voorleest, haar – vanuit het gedicht THE FURY OF SUNSETS van Anne Sexton (1928-1974) ontleende titel – ALL DAY I’VE BUILT A LIFETIME ANd NOW THE SUN SINKS TO UNDO IT video. De schrijfster vertrekt vanuit haar metier, de filmmaakster vanuit het hare, maar de grootste gemene deler is dat ze in wezen beide via hun enerzijds technisch beeldonderzoek en literaire reflecties aan de andere kant, het verband tussen landschap en (het vrouwelijk) lichaam exploreren.  

Gregory Frateur

Wie Gregory Frateur zegt, zegt automatisch Dez Mona, die eerder dit najaar hun ondertussen negende unaniem bejubelde langspeler – LOOSE ENDS (2022) – heeft geworpen. Naast frontwezen kan men Gregory de laatste jaren ook vaak terug vinden in theater- én televisie/film entourages. Denk maar aan zijn rol van Jackson in de vijfvoudige Ensor kapende horrorreeks TABULA RASA van regisseur (én collega-schrijver voor het in de rubriek URBAN UNREST RELEASE #1 besproken EVIL SEEDS – THE ULTIMATE MOVIE GUIDE TO VILLAINOUS CHILDREN) Jonas Govaerts, of Frateur zijn rol in Hilde Van Mieghems verfilming van Tom Lanoye’s SPRAKELOOS (2017), waarin pianist Jef Neve – overigens als één van de ereburgers van Geel – de muziekscore voor zivjn rekening nam. Op de theaterbühne schitterde Frateur dan weer in verschillende voorstellingen van collectief (van het nu wel toepasselijke) Eisbär en theatergezelschap FC Bergman. En hebben we zijn rol als curator al vermeld, die Gregory hier op Closer voor de zesde maal ter harte neemt om een sowieso bijzonder en geïnspireerd programma vol muziek en performance samen te stellen?

Sebastian Stuer

Fervente tv-kijkers kennen de vaak van alcohol met melancholische doordrenkte poet Sebastiaan Stuer (°1978) waarschijnlijk van het weekblad Humo, ofwel als die onwaarschijnlijke droge Hoopvergroter, dat het programma De Ideale Wereld via hun jongste seizoen heeft voorgedragen. Geen idee wat er is fout gelopen, maar het lijkt wel of deze zelfverklaarde freelance onnozelaar zijn afspraak met de huidige realiteit heeft gemist. Deze chronisch depressieve bon vivant communiceert via zijn vaak hilarische karamelverzen, die recht van bij de brouwer lijken te komen maar niettemin de grens van het absurdisme strelen.

Teletext

Muziektheatermakers Leonere Spee en Sascha Bornkamp vormen samen het muziektheaterduo Teletext. Een hele mond vol voor nog een voller gevuld takenpakket: optredens, voorstellingen, workshops, ontwikkeling audiotours, realisatie locatieprojecten of artistieke liaisons smeden binnen alsook buiten de blackbox. Als huisorkest van het dynamische Walpurgis hebt Teletext mogelijk al wel eens bezig gehoord of gezien op één de voorstellingen van dit bont gezelschap, of misschien kent U ze gewoon van hun op het gelijknamige gedicht van Paul Van Ostaijen gebaseerde single “De Aftocht”, waarbij overigens een door elders in dit stuk vernoemde Jonas Govaerts geregisseerde kortfilm hoort. Naar aanleiding van het festivalthema leven ze zich uit op het THE WASTE LAND en dat kan alle kanten uitschieten.

The Waste Land (1922)

              

I. The Burial of the Dead

April is the cruellest month, breeding

Lilacs out of the dead land, mixing

Memory and desire, stirring

Dull roots with spring rain.

Winter kept us warm, covering

Earth in forgetful snow, feeding

A little life with dried tubers.

Summer surprised us, coming over the Starnbergersee

With a shower of rain; we stopped in the colonnade,

And went on in sunlight, into the Hofgarten,

And drank coffee, and talked for an hour.

Bin gar keine Russin, stamm’ aus Litauen, echt deutsch.

And when we were children, staying at the archduke’s,

My cousin’s, he took me out on a sled,

And I was frightened. He said, Marie,

Marie, hold on tight. And down we went.

In the mountains, there you feel free.

I read, much of the night, and go south in the winter.

What are the roots that clutch, what branches grow

Out of this stony rubbish? Son of man,

You cannot say, or guess, for you know only

A heap of broken images, where the sun beats,

And the dead tree gives no shelter, the cricket no relief,

And the dry stone no sound of water. Only

There is shadow under this red rock,

(Come in under the shadow of this red rock),

And I will show you something different from either

Your shadow at morning striding behind you

Or your shadow at evening rising to meet you;

I will show you fear in a handful of dust.

                      Frisch weht der Wind

                      Der Heimat zu

                      Mein Irisch Kind,

                      Wo weilest du?

‘You gave me hyacinths first a year ago;

‘They called me the hyacinth girl.’

—Yet when we came back, late, from the Hyacinth garden,

Your arms full, and your hair wet, I could not

Speak, and my eyes failed, I was neither

Living nor dead, and I knew nothing,

Looking into the heart of light, the silence.

Oed’ und leer das Meer.

Madame Sosostris, famous clairvoyante,

Had a bad cold, nevertheless

Is known to be the wisest woman in Europe,

With a wicked pack of cards. Here, said she,

Is your card, the drowned Phoenician Sailor,

(Those are pearls that were his eyes. Look!)

Here is Belladonna, the Lady of the Rocks,

The lady of situations.

Here is the man with three staves, and here the Wheel,

And here is the one-eyed merchant, and this card,

Which is blank, is something he carries on his back,

Which I am forbidden to see. I do not find

The Hanged Man. Fear death by water.

I see crowds of people, walking round in a ring.

Thank you. If you see dear Mrs. Equitone,

Tell her I bring the horoscope myself:

One must be so careful these days.

Unreal City,

Under the brown fog of a winter dawn,

A crowd flowed over London Bridge, so many,

I had not thought death had undone so many.

Sighs, short and infrequent, were exhaled,

And each man fixed his eyes before his feet.

Flowed up the hill and down King William Street,

To where Saint Mary Woolnoth kept the hours

With a dead sound on the final stroke of nine.

There I saw one I knew, and stopped him, crying: ‘Stetson!

‘You who were with me in the ships at Mylae!

‘That corpse you planted last year in your garden,

‘Has it begun to sprout? Will it bloom this year?

‘Or has the sudden frost disturbed its bed?

‘Oh keep the Dog far hence, that’s friend to men,

‘Or with his nails he’ll dig it up again!

‘You! hypocrite lecteur!—mon semblable,—mon frère!”

              II. A Game of Chess

The Chair she sat in, like a burnished throne,

Glowed on the marble, where the glass

Held up by standards wrought with fruited vines

From which a golden Cupidon peeped out

(Another hid his eyes behind his wing)

Doubled the flames of sevenbranched candelabra

Reflecting light upon the table as

The glitter of her jewels rose to meet it,

From satin cases poured in rich profusion;

In vials of ivory and coloured glass

Unstoppered, lurked her strange synthetic perfumes,

Unguent, powdered, or liquid—troubled, confused

And drowned the sense in odours; stirred by the air

That freshened from the window, these ascended

In fattening the prolonged candle-flames,

Flung their smoke into the laquearia,

Stirring the pattern on the coffered ceiling.

Huge sea-wood fed with copper

Burned green and orange, framed by the coloured stone,

In which sad light a carvéd dolphin swam.

Above the antique mantel was displayed

As though a window gave upon the sylvan scene

The change of Philomel, by the barbarous king

So rudely forced; yet there the nightingale

Filled all the desert with inviolable voice

And still she cried, and still the world pursues,

‘Jug Jug’ to dirty ears.

And other withered stumps of time

Were told upon the walls; staring forms

Leaned out, leaning, hushing the room enclosed.

Footsteps shuffled on the stair.

Under the firelight, under the brush, her hair

Spread out in fiery points

Glowed into words, then would be savagely still.

‘My nerves are bad tonight. Yes, bad. Stay with me.

Speak to me. Why do you never speak. Speak.

What are you thinking of? What thinking? What?

I never know what you are thinking. Think.’

  I think we are in rats’ alley

Where the dead men lost their bones.

  ‘What is that noise?’

                          The wind under the door.

‘What is that noise now? What is the wind doing?’

                           Nothing again nothing.

                                                        ‘Do

‘You know nothing? Do you see nothing? Do you remember

‘Nothing?’

       I remember

Those are pearls that were his eyes.

‘Are you alive, or not? Is there nothing in your head?’   

                                                                           But

O O O O that Shakespeherian Rag—

It’s so elegant

So intelligent

‘What shall I do now? What shall I do?’

‘I shall rush out as I am, and walk the street

‘With my hair down, so. What shall we do tomorrow?

‘What shall we ever do?’

                                               The hot water at ten.

And if it rains, a closed car at four.

And we shall play a game of chess,

Pressing lidless eyes and waiting for a knock upon the door.

  When Lil’s husband got demobbed, I said—

I didn’t mince my words, I said to her myself,

HURRY UP PLEASE ITS TIME

Now Albert’s coming back, make yourself a bit smart.

He’ll want to know what you done with that money he gave you

To get yourself some teeth. He did, I was there.

You have them all out, Lil, and get a nice set,

He said, I swear, I can’t bear to look at you.

And no more can’t I, I said, and think of poor Albert,

He’s been in the army four years, he wants a good time,

And if you don’t give it him, there’s others will, I said.

Oh is there, she said. Something o’ that, I said.

Then I’ll know who to thank, she said, and give me a straight look.

HURRY UP PLEASE ITS TIME

If you don’t like it you can get on with it, I said.

Others can pick and choose if you can’t.

But if Albert makes off, it won’t be for lack of telling.

You ought to be ashamed, I said, to look so antique.

(And her only thirty-one.)

I can’t help it, she said, pulling a long face,

It’s them pills I took, to bring it off, she said.

(She’s had five already, and nearly died of young George.)

The chemist said it would be all right, but I’ve never been the same.

You are a proper fool, I said.

Well, if Albert won’t leave you alone, there it is, I said,

What you get married for if you don’t want children?

HURRY UP PLEASE ITS TIME

Well, that Sunday Albert was home, they had a hot gammon,

And they asked me in to dinner, to get the beauty of it hot—

HURRY UP PLEASE ITS TIME

HURRY UP PLEASE ITS TIME

Goonight Bill. Goonight Lou. Goonight May. Goonight.

Ta ta. Goonight. Goonight.

Good night, ladies, good night, sweet ladies, good night, good night.

              III. The Fire Sermon

  The river’s tent is broken: the last fingers of leaf

Clutch and sink into the wet bank. The wind

Crosses the brown land, unheard. The nymphs are departed.

Sweet Thames, run softly, till I end my song.

The river bears no empty bottles, sandwich papers,

Silk handkerchiefs, cardboard boxes, cigarette ends

Or other testimony of summer nights. The nymphs are departed.

And their friends, the loitering heirs of City directors;

Departed, have left no addresses.

By the waters of Leman I sat down and wept . . .

Sweet Thames, run softly till I end my song,

Sweet Thames, run softly, for I speak not loud or long.

But at my back in a cold blast I hear

The rattle of the bones, and chuckle spread from ear to ear.

A rat crept softly through the vegetation

Dragging its slimy belly on the bank

While I was fishing in the dull canal

On a winter evening round behind the gashouse

Musing upon the king my brother’s wreck

And on the king my father’s death before him.

White bodies naked on the low damp ground

And bones cast in a little low dry garret,

Rattled by the rat’s foot only, year to year.

But at my back from time to time I hear

The sound of horns and motors, which shall bring

Sweeney to Mrs. Porter in the spring.

O the moon shone bright on Mrs. Porter

And on her daughter

They wash their feet in soda water

Et O ces voix d’enfants, chantant dans la coupole!

Twit twit twit

Jug jug jug jug jug jug

So rudely forc’d.

Tereu

Unreal City

Under the brown fog of a winter noon

Mr. Eugenides, the Smyrna merchant

Unshaven, with a pocket full of currants

C.i.f. London: documents at sight,

Asked me in demotic French

To luncheon at the Cannon Street Hotel

Followed by a weekend at the Metropole.

At the violet hour, when the eyes and back

Turn upward from the desk, when the human engine waits

Like a taxi throbbing waiting,

I Tiresias, though blind, throbbing between two lives,

Old man with wrinkled female breasts, can see

At the violet hour, the evening hour that strives

Homeward, and brings the sailor home from sea,

The typist home at teatime, clears her breakfast, lights

Her stove, and lays out food in tins.

Out of the window perilously spread

Her drying combinations touched by the sun’s last rays,

On the divan are piled (at night her bed)

Stockings, slippers, camisoles, and stays.

I Tiresias, old man with wrinkled dugs

Perceived the scene, and foretold the rest—

I too awaited the expected guest.

He, the young man carbuncular, arrives,

A small house agent’s clerk, with one bold stare,

One of the low on whom assurance sits

As a silk hat on a Bradford millionaire.

The time is now propitious, as he guesses,

The meal is ended, she is bored and tired,

Endeavours to engage her in caresses

Which still are unreproved, if undesired.

Flushed and decided, he assaults at once;

Exploring hands encounter no defence;

His vanity requires no response,

And makes a welcome of indifference.

(And I Tiresias have foresuffered all

Enacted on this same divan or bed;

I who have sat by Thebes below the wall

And walked among the lowest of the dead.)

Bestows one final patronising kiss,

And gropes his way, finding the stairs unlit . . .

She turns and looks a moment in the glass,

Hardly aware of her departed lover;

Her brain allows one half-formed thought to pass:

‘Well now that’s done: and I’m glad it’s over.’

When lovely woman stoops to folly and

Paces about her room again, alone,

She smooths her hair with automatic hand,

And puts a record on the gramophone.

‘This music crept by me upon the waters’

And along the Strand, up Queen Victoria Street.

O City city, I can sometimes hear

Beside a public bar in Lower Thames Street,

The pleasant whining of a mandoline

And a clatter and a chatter from within

Where fishmen lounge at noon: where the walls

Of Magnus Martyr hold

Inexplicable splendour of Ionian white and gold.

               The river sweats

               Oil and tar

               The barges drift

               With the turning tide

               Red sails

               Wide

               To leeward, swing on the heavy spar.

               The barges wash

               Drifting logs

               Down Greenwich reach

               Past the Isle of Dogs.

                                 Weialala leia

                                 Wallala leialala

               Elizabeth and Leicester

               Beating oars

               The stern was formed

               A gilded shell

               Red and gold

               The brisk swell

               Rippled both shores

               Southwest wind

               Carried down stream

               The peal of bells

               White towers

                                Weialala leia

                                Wallala leialala

‘Trams and dusty trees.

Highbury bore me. Richmond and Kew

Undid me. By Richmond I raised my knees

Supine on the floor of a narrow canoe.’

‘My feet are at Moorgate, and my heart

Under my feet. After the event

He wept. He promised a ‘new start.’

I made no comment. What should I resent?’

‘On Margate Sands.

I can connect

Nothing with nothing.

The broken fingernails of dirty hands.

My people humble people who expect

Nothing.’

                       la la

To Carthage then I came

Burning burning burning burning

O Lord Thou pluckest me out

O Lord Thou pluckest

burning

              IV. Death by Water

Phlebas the Phoenician, a fortnight dead,

Forgot the cry of gulls, and the deep sea swell

And the profit and loss.

                                   A current under sea

Picked his bones in whispers. As he rose and fell

He passed the stages of his age and youth

Entering the whirlpool.

                                   Gentile or Jew

O you who turn the wheel and look to windward,

Consider Phlebas, who was once handsome and tall as you.

              V. What the Thunder Said

After the torchlight red on sweaty faces

After the frosty silence in the gardens

After the agony in stony places

The shouting and the crying

Prison and palace and reverberation

Of thunder of spring over distant mountains

He who was living is now dead

We who were living are now dying

With a little patience

Here is no water but only rock

Rock and no water and the sandy road

The road winding above among the mountains

Which are mountains of rock without water

If there were water we should stop and drink

Amongst the rock one cannot stop or think

Sweat is dry and feet are in the sand

If there were only water amongst the rock

Dead mountain mouth of carious teeth that cannot spit

Here one can neither stand nor lie nor sit

There is not even silence in the mountains

But dry sterile thunder without rain

There is not even solitude in the mountains

But red sullen faces sneer and snarl

From doors of mudcracked houses

                                      If there were water

   And no rock

   If there were rock

   And also water

   And water

   A spring

   A pool among the rock

   If there were the sound of water only

   Not the cicada

   And dry grass singing

   But sound of water over a rock

   Where the hermit-thrush sings in the pine trees

   Drip drop drip drop drop drop drop

   But there is no water

Who is the third who walks always beside you?

When I count, there are only you and I together

But when I look ahead up the white road

There is always another one walking beside you

Gliding wrapt in a brown mantle, hooded

I do not know whether a man or a woman

—But who is that on the other side of you?

What is that sound high in the air

Murmur of maternal lamentation

Who are those hooded hordes swarming

Over endless plains, stumbling in cracked earth

Ringed by the flat horizon only

What is the city over the mountains

Cracks and reforms and bursts in the violet air

Falling towers

Jerusalem Athens Alexandria

Vienna London

Unreal

A woman drew her long black hair out tight

And fiddled whisper music on those strings

And bats with baby faces in the violet light

Whistled, and beat their wings

And crawled head downward down a blackened wall

And upside down in air were towers

Tolling reminiscent bells, that kept the hours

And voices singing out of empty cisterns and exhausted wells.

In this decayed hole among the mountains

In the faint moonlight, the grass is singing

Over the tumbled graves, about the chapel

There is the empty chapel, only the wind’s home.

It has no windows, and the door swings,

Dry bones can harm no one.

Only a cock stood on the rooftree

Co co rico co co rico

In a flash of lightning. Then a damp gust

Bringing rain

Ganga was sunken, and the limp leaves

Waited for rain, while the black clouds

Gathered far distant, over Himavant.

The jungle crouched, humped in silence.

Then spoke the thunder

DA

Datta: what have we given?

My friend, blood shaking my heart

The awful daring of a moment’s surrender

Which an age of prudence can never retract

By this, and this only, we have existed

Which is not to be found in our obituaries

Or in memories draped by the beneficent spider

Or under seals broken by the lean solicitor

In our empty rooms

DA

Dayadhvam: I have heard the key

Turn in the door once and turn once only

We think of the key, each in his prison

Thinking of the key, each confirms a prison

Only at nightfall, aethereal rumours

Revive for a moment a broken Coriolanus

DA

Damyata: The boat responded

Gaily, to the hand expert with sail and oar

The sea was calm, your heart would have responded

Gaily, when invited, beating obedient

To controlling hands

                                    I sat upon the shore

Fishing, with the arid plain behind me

Shall I at least set my lands in order?

London Bridge is falling down falling down falling down

Poi s’ascose nel foco che gli affina

Quando fiam uti chelidon—O swallow swallow

Le Prince d’Aquitaine à la tour abolie

These fragments I have shored against my ruins

Why then Ile fit you. Hieronymo’s mad againe.

Datta. Dayadhvam. Damyata.

                  Shantih     shantih     shantih

T.S. ELIOT (1922)

Alle verdere info:

https://www.closerfestival.be/

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: